Marcus, een eigenzinnig mens

 

 

Kortgeleden is door mij een nieuw boek op het net geplaatst met als titel: 'Het evangelie van Marcus, een studie'. Dit evangelie komt bij mij over als een vreemd evangelie en dat was de aanleiding een studie aan het onderwerp te wijden. Maar wat is er zo vreemd aan dit evangelie en wat intrigeert me zo? Er zijn een aantal punten die de aandacht vragen.

 

Laat ik beginnen met het bekende probleem dat samenhangt met de volgorde waarin de evangelisten hun teksten hebben geschreven. De christelijke kerken hebben het evangelie van Marcus heel lang beschouwd als een verkort uittreksel uit het evangelie van Matteüs en hebben daarom opvallende verschillen met dit evangelie niet serieus genomen. Maar toen door wetenschappelijk onderzoek kwam vast te staan, dat Marcus als eerste zijn evangelie had geschreven en niet Matteüs, riepen bepaalde weglatingen vragen op die beantwoord moesten worden.

Wat was het geval. Het ontbreken van een duidelijk verrijzenisverhaal bij Marcus in de oudste ons bekende handschriften van de Bijbel zoals de codex Vaticanus en de codex Sinaiticus veroorzaakten paniek in kerkelijke kringen. In die handschriften staat alleen een verhaal over het lege graf in Mc 16,1-8 en ontbreekt een duidelijk verrijzenisverhaal. Dit verhaal over het lege graf vormt tevens het abrupte einde van het evangelie. Toen men dit ontdekte, heeft men uit Matteüs voor een aanvulling gezorgd met wat nu staat in de verzen 9 t/m 20 in overeenstemming met Mt 28,16 e.v. Dat dit echt een aanvulling is van latere datum, is gemakkelijk aan te tonen.

Het verrijzenisverhaal van de evangelist Marcus is het oudste verrijzenisverhaal in de Bijbel. Het verhaal zoals dat nu te lezen is, bestaat uit twee gedeelten: in het eerste deel wordt er alleen gesproken over de verrijzenis of opstanding. De evangelist voert daarvoor het lege graf op en de verschijning van een engel die de verrijzenis van Jezus aan Maria Magdalena en enkele andere vrouwen meedeelt. De vrouwen vluchtten daarna weg uit het graf, door schrik en ontsteltenis overweldigd. En uit vrees zeiden zij er niemand iets van, besluit de evangelist het relaas. Het eerste deel is dus het bekende verhaal over het lege graf. Het spreekt het geloof uit dat Jezus weer leeft maar laat in het midden wat dit precies betekent. Terwijl de verrijzenis van Jezus centraal staat in de christelijke leer, zwijgt Marcus hierover en beperkt zich tot de sobere mededeling dat het graf van Jezus leeg werd gevonden. Was hij te nuchter om aan al die verschijningsverhalen geloof te hechten? Laten we om heel duidelijk te zijn de letterlijke tekst van het eerste gedeelte weergeven:

 

Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria Magdalena, Maria de moeder van Jacobus en Salome welriekende kruiden om Hem te gaan balsemen. Op de eerste dag van de week, heel vroeg, toen de zon juist op was, gingen zij naar het graf. Ze zeiden tot elkaar: ‘Wie zal de steen voor ons van de ingang van het graf wegrollen?’Opkijkend echter bemerkten ze dat de steen weggerold was; en deze was zeer groot. Binnengetreden in het graf zagen ze tot hun ontsteltenis aan de rechterkant een jonge man zitten in een wit gewaad. Maar hij sprak tot haar: ‘Schrikt niet. Gij zoekt Jezus de Nazarener, die gekruisigd is. Hij is verrezen. Hij is niet hier. Kijk, dit is de plaats waar men Hem neergelegd had. Gaat aan zijn leerlingen en aan Petrus zeggen: Hij gaat u voor naar Galilea; daar zult gij Hem zien, zoals Hij u gezegd heeft.’ De vrouwen gingen naar buiten en vluchtten weg van het graf; want schrik en ontsteltenis had hen overweldigd. En uit vrees zeiden ze er niemand iets van. (Marcus 10,2-8)

 

Het tweede gedeelte vertoont door de opbouw en de tekst een duidelijke breuk met het eerste gedeelte. Het begint opnieuw met de persoon met wie het eerste deel van het verhaal werd afgesloten maar nu wordt de eerste vrouwelijke apostel uit de christentijd, Maria Magdalena, gekleineerd en geschoffeerd door terloops op te merken dat zij in het verleden door haar vroegere manier van leven tijdelijk in de macht van zeven duivels was geraakt en door Jezus daarvan was verlost. Deze geïsoleerde mededeling die zonder enige noodzaak aan de lezers wordt voorgehouden, wijst op een poging om aan een bestaande verering van deze gewaardeerde vrouw uit de eerste christentijd voor goed een einde te maken. Door deze botte beschuldiging valt het des te meer op, dat hier sprake is van een latere toevoeging om het verrijzenisverhaal in overeenstemming te brengen met wat men bij Matteüs kan lezen.

Het toegevoegde gedeelte is wat warrig alsof men nog steeds niet wil geloven dat Jezus echt lichamelijk aan mensen is verschenen. Toen Maria Magdalena, volgens de schrijver, blijkbaar wel het verhaal over de engel en de verrijzenis aan de leerlingen had meegedeeld, geloofden zij haar niet Zelfs de bekende Emmaus-gangers (uit het evangelie van Lucas!), die Jezus op weg naar huis tegen kwamen en hem hadden herkend bij het breken van het brood, werden niet door de apostelen geloofd. Toen Jezus uiteindelijk aan de elf verscheen, veranderde hun ongeloof in zeker weten. Het lijkt erop, dat bij de toevoeging van het tweede gedeelte een abrupte overgang werd vermeden door geleidelijk het lege graf verhaal aan te vullen met een verhaal over verschijningen waarbij de apostelen pas langzaam tot geloof kwamen.

 

Dan nu het volgende punt dat onze aandacht verdient. Bij de eerste lezing van het evangelie valt het op dat de schrijver op een zeer essentieel onderdeel heel duidelijk afwijkt van wat we lezen bij de andere twee synoptische evangelisten Matteüs en Lucas. Het gaat hier over de kern van de verkondiging van Jezus van Nazareth tijdens zijn leven in Galilea. Opvallend is het dat in het evangelie van Marcus de beroemde Bergrede van Jezus ontbreekt. In de Bergrede wordt door Matteüs en Lucas Jezus beschreven als degene die de samenleving op zijn kop zette door de joodse wet door te lichten en een gedragscode te formuleren die er niet om liegt. Marcus doet er het zwijgen toe en vertoont in zijn tekst slechts een flauw aftreksel van wat Jezus daar gezegd heeft. Waarom? De Bergrede bevat toch de essentie van de nieuwe leer? De leden van de Jezus-gemeente die voor deze tekst gezorgd hebben, worden door mij niet voor niets De Smaakmakers van de nieuwe religie genoemd. Marcus moet toch van de inhoud van de Bergrede op de hoogte zijn geweest? De uitspraken van Jezus waarover het hier gaat, zijn te boek gesteld in Galilea, de streek waar Jezus tijdens zijn aardse leven rondtrok. Deze verzameling uitspraken is samengesteld door oud-leerlingen uit die tijd. Hoewel niet gelijkend op wat we nu zouden verwachten van een christelijke beweging, is er toch echt sprake geweest van een groep mensen die probeerden te leven zoals Jezus het hun had voorgedaan. Dit type christendom lijkt in niets op de Christuscultus waarvan de apostel Paulus de grote animator was. Het is het christendom van de armoedzaaiers, de religieuze marskramers om het scherp te zeggen, de vagebonden die schamel gekleed en met een lading maatschappijkritische spreuken de boer opgingen. Zij stonden Jezus in hun optreden het dichts nabij en voor hen wees het 'Rijk Gods' de weg die zij moesten gaan. Deze uitspraken van Jezus treffen we, aangepast, aan in de Bergrede die voorkomt in de teksten van Matteüs en Lucas. Het lijkt erop dat Marcus niets van die armoedzaaiers met hun maatschappij ondermijnende uitspraken moest hebben. In zijn gemeenschap hoorden ze blijkbaar niet thuis. Hij heeft waarschijnlijk met zijn gemeente onaangename ervaringen opgedaan bij het bezoek van deze rondtrekkende predikers van het Rijk Gods.

 

Maar er is meer! De schrijver blijkt een eigenzinnig mens te zijn die zich niet gelegen laat liggen aan wat anderen zeggen en denken. Hij heeft zijn eigen mening en durft daarvoor uit te komen. Dit hebben we al begrepen  uit zijn bewuste keuze om over de verrijzenis van Jezus te spreken door het beeld te gebruiken van een leeg graf, waarschijnlijk als reactie op de reeds vroeg circulerende verhalen over verschijningen van de verrezen Jezus. Het blijkt ook uit zijn afwerende en afwijzende houding tegenover bepaalde opvattingen waarmee hij kennis maakte en die hem niet aanstonden. Wij wijzen in verband hiermee op het feit dat Marcus wel op de hoogte was van de ontwikkelingen die al sinds geruime tijd in Klein-Azië, waar Paulus actief was, plaats vonden maar slechts weinig van de ideeën, die daar leefden, in zijn evangelie heeft overgenomen. Wetend, dat wat daar gebeurde de basis is geweest voor het moderne christendom, geeft dit te denken. We moeten ons goed realiseren dat dit prototype van het christendom al meer dan 30 jaar bestond aleer Marcus met het schrijven van zijn evangelie begon. Om welke reden dan ook, stond men in de gemeente van Marcus blijkbaar nogal gereserveerd tegenover wat Paulus leerde. Het lijkt erop dat Marcus en zijn gemeente niet veel moesten hebben van de overdreven wijze waarop in de opkomende Christuscultus over Jezus, de verrezen Heer, werd gesproken. De neiging om te overdrijven was daar duidelijk aanwezig. In de brieven van Paulus leest u teksten die bij een jood weerstand moesten oproepen. De gemeente van Marcus is via persoonlijke contacten en zeker via de brieven van Paulus wel op de hoogte geweest van wat zich afspeelde in Antiochië. Dat blijkt ook uit wat we lezen over de laatste maaltijdviering van Jezus met zijn leerlingen op de avond voor zijn lijden en uit de drie lijdensvoorspellingen waarvan de formulering gebaseerd is op een tekst in een brief van Paulus.

 

Wat verder opvalt, is dat Marcus, hoe nuchter hij ook meestal overkomt, op bepaalde momenten emotioneel kan reageren als het er om gaat iets te 'bewijzen' wat naar zijn eigen overtuiging juist is. Hij maakt hierbij gebruik van een speciale tactiek die duidelijk wordt als we de tekst van zijn evangelie lezen. Marcus heeft voor zijn evangelie gekozen voor een verhaalvorm waarin Jezus de hoofdpersoon is. Het is echter niet zijn opzet geweest een waarheidsgetrouw beeld van Jezus te schetsen, daarvoor is zijn beschrijving van hem te summier, te beperkt. Begrijp me goed: wat hij wil is Jezus aan zijn gemeente voorhouden zoals hij hem ziet en begrijpt en niets meer. Al lezend, zult u ontdekken, dat hij hierbij de werkelijkheid regelmatig uit het oog verliest en soms naar zijn hand zet.

 

In het verhaal is Jezus de centrale figuur. Zo krijgt hij de gelegenheid zijn eigen argumenten te kiezen en die naar voren te brengen op een wijze die de lezer moet overtuigen van de juistheid van wat hij wil aantonen. Hij krijgt zo de mogelijkheid zijn ideeën geleidelijk te ontwikkelen en waar nodig spectaculaire gebeurtenissen te ensceneren. Hiervan heeft Marcus ruim gebruik gemaakt.

 

Wat was nu eigenlijk precies de bedoeling van Marcus toen hij aan het werk ging? Het lijkt logisch, dat de gemeente van Marcus diep heeft nagedacht over een aantal essentiële zaken die van levensbelang voor de gemeente waren. In dat proces van steeds op zoek zijn naar zelfbevestiging en naar zekerheid op de goede weg te zitten, is naarstig gespeurd in de boeken van het Oude Testament naar teksten die een verklaring konden geven voor het lijden en sterven van Jezus en voor de betekenis daarvan voor de eigen gemeente. Men is tot de overtuiging gekomen, dat Jezus het centrale middelpunt is in de joodse heilsgeschiedenis en dat hij de lang verwachte Messias is. Niet een Messias die met het zwaard de gehate bezetter zou verdrijven maar de lijdende Messias, zoals beschreven bij Jesaja, die aan het einde der tijden een oordeel over de wereld zou uitspreken. Een probleem is dat Jezus zelf steeds geweigerd heeft zich hierover uit te spreken. Dit maakt het moeilijk voor Marcus een overtuigend bewijs te vinden.

Om dit te bewijzen maakt Marcus gebruik van drie elementen die elkaar aanvullen en ondersteunen. Te weten: de stemmen van de demonen die door Jezus worden uitgedreven en die als de meest betrouwbare getuigen naar voren worden geschoven, de overdaad aan wonderen waarmee Jezus zijn macht en gezag etaleert en ten slotte de voortdurende domheid van de apostelen die helemaal niet begrijpen waar het hier eigenlijk om gaat. Laat ik u enkele voorbeeld geven van hoe Marcus te werk gaat.

In hoofdstuk 1 leest u het verhaal over een uitdrijving van een Boze geest in de synagoge te Kafarnaüm. Een man die in de macht was van een onreine geest, begint te schreeuwen:

 

'Jezus van Nazareth, wat hebt Gij met ons te maken? Gij zijt gekomen om ons in het verderf te storten. Ik weet wie Gij zijt: de heilige Gods'. Jezus voegde hem dreigend toe: 'Zwijg stil en ga uit hem weg'. (Mc 1,24-25)

 

Op meerdere plaatsen lezen we over dergelijke scènes, zo ook in Mc3,11:

 

Zelfs de onreine geesten vielen, als zij Hem zagen, voor Hem neer en schreeuwden: 'Gij zijt de Zoon van God'. Maar hij verbood hun nadrukkelijk Hem bekend te maken.

 

De schrijver beroept zich op de 'Bovenwereld', niet op mensen, om duidelijk te maken dat Jezus heel bijzonder is. Dit bekend maken van Jezus als de Messias is niet een daad van Jezus zelf, zegt Marcus maar van anderen, die het blijkbaar kunnen weten. Jezus zelf werkt niet echt mee en gaat een antwoord op vragen hierover uit de weg. Hij verbood niet alleen de boze geesten  hem aan de mensen bekend te maken maar hij wilde ook niet dat personen die door hem genezen waren, dit aan anderen vertelden. Jezus komt echter twee keer in de tekst te laat met zijn waarschuwing aan de boze geesten om te zwijgen en dat is net voldoende voor Marcus om zijn bedoeling duidelijk aan de lezer kenbaar te maken maar dat is dan ook het voorrecht van de schrijver!

Het gezag waarmee Jezus optrad in de synagoge en daarbuiten werd ondersteund door de vele wonderen die hij verrichtte. Onreine geesten werden uitgedreven, een melaatse werd gereinigd (Mc 1,40 e.v.), een lamme werd genezen (Mc 2,1 e.v.), de genezing van een man met een verdorde hand (Mc 3,1 e.v.), de opwekking van het dochtertje van Jaïrus (Mc 5,21 e.v.), de vrouw met bloedvloeing (Mc 5,25 e.v.), de eerste wonderbare spijziging (Mc 6,35 e.v.), Jezus loopt over het water en bedaart een storm (Mc 6,45 e.v.), het geloof van de Syrofenicische vrouw (Mc 7,24 e.v.), de genezing van een dove (Mc 7,32 e.v.), de tweede wonderbare spijziging (Mc 8,1 e.v.), de genezing van een blinde (Mc 8,22 e.v.), de genezing van een bezeten jongen (Mc 9,14 e.v.), het verdorren van de vijgenboom (Mc 11,12 e.v.). Dit zijn de belangrijkste wonderen die met name door hem genoemd worden en daarnaast nog de ontelbare, die slechts zijdelings worden vermeld, bijna als terloops, zoals in Mc 6,56:

 

Waar Hij maar binnenkwam, in dorp of stad of gehucht, legde men de zieken op de pleinen en smeekte Hem, of ze ten minste de zoom van zijn kleed mochten aanraken. En allen die dit deden, werden gezond.

 

De overtrokken wijze waarop de evangelist wil scoren, kan natuurlijk niet in overeenstemming zijn met de werkelijkheid. Overdaad schaadt! Marcus heeft hier voor zijn gemeente duidelijk gemaakt wie Jezus in werkelijkheid is maar dit moet nog door Jezus zelf bevestigd worden. Dit gebeurt tijdens de rechtzaak voor de hogepriester en het sanhedrin voordat hij de kruisdood ondergaat. In Mc 14,61 e.v. antwoordt Jezus op een vraag van de hogepriester met woorden uit het boek Daniël (Da 7,13):

 

'Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Gezegende?' Jezus antwoordde: 'Ja, dat ben Ik; en gij zult de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Macht en komen met de wolken des hemels.' Toen scheurde de hogepriester zijn gewaad en riep uit: 'Waartoe hebben wij nog getuigen nodig? Ge hebt de godslastering gehoord. Wat dunkt u? Allen spraken het vonnis uit, dat Hij de dood verdiende. (cursivering Willibrordvertaling)

 

Hiermee heeft Marcus het overtuigende bewijs gegeven voor de messianiteit van Jezus. Als u leest hoe Marcus te werk is gegaan, zult u zich afvragen wat er overblijft van de goddelijke inspiratie die de schrijver begeleidt bij het op schrift stellen van de tekst. Die goddelijke inspiratie kan er wel degelijk zijn geweest, misschien niet tijdens het schrijven maar zeker wel bij het groeiproces dat in de gemeente plaats vond en dat Marcus later onder woorden bracht. Goddelijke openbaring en geïnspireerde teksten komen niet uit de hemel vallen! Wat in een mensengemeenschap tot stand komt, is het resultaat van hard werken, geconcentreerd nadenken, open staan voor het nieuwe, oog hebben voor wat er om je heen plaats vindt en bidden om verlichting. God werkt niet met een dictafoon!

 

Beoordelen wij objectief wat er in Klein-Azië in de Christuscultus rond de apostel Paulus gebeurd is, dan moeten wij constateren, dat er een wezenlijk element ontbrak. Er was een eerste aanzet tot religievorming, maar er was geen Jezus-verhaal. Wie was toch die Jezus? Bij Paulus kon men hiervoor niet terecht. In zijn brieven wordt amper gesproken over de mens Jezus van Nazareth, over zijn leven in Galilea, over het centrale thema van het Rijk Gods. Voor een beeld van Jezus van Nazareth blijven wij aangewezen op de evangelieteksten. Mensen hebben nu eenmaal behoefte aan een benadering die past in hun belevings- en ervaringswereld. In een religie wil men op zoek gaan naar een mens die een voorbeeld is door zijn manier van leven, een mens die men kan navolgen. Men zoekt iemand tegen wie men kan opkijken en die men kan bewonderen, een mens van vlees en bloed. Mensen hebben verhalen nodig, iemand die inspireert tot navolging. Ideeën zijn mooi maar zijn uiteindelijk nooit voldoende voor een volksbeweging en een blijvend succes. Het was Marcus die als eerste een verhalend verslag schreef van het leven van Jezus. Dit evangelie, de eerste van een uitgebreide collectie van verhalen, blijkt van onschatbare waarde te zijn geweest voor de successtory van de nieuwe religie. De academische bespiegelingen van Paulus vonden hierin een tegenhanger. De leer van verlossing en verzoening, de leer van de betekenis van de Christus, later uitlopend op de leer van de Drie-eenheid, blijven voor simpele gelovigen maar moeilijk te bevatten. Spreekt Paulus zich uit over de positie van Jezus, de Christus, door wie heil en redding voor alle mensen beschikbaar is gekomen, met zelfs uitzicht op een leven ook na de dood, de evangelisten houden hun gemeenteleden een Navolging van Jezus voor, om Thomas à Kempis vrij te citeren. Door het schrijven van zijn tweedelig boek, bestaande uit een evangelie en de Handelingen, maakt Lucas duidelijk, dat het werk van Paulus de voortzetting geweest is van een basis door Jezus gelegd. In de eerste hoofdstukken van de Handelingen laat hij beide episodes naadloos in elkaar overlopen. In de praktijk van de geloofsbeleving staat nog altijd het evangelie centraal.

 

Hoewel de evangelist Marcus er niet in geslaagd is ons een overtuigend verhaal te vertellen over Jezus van Nazareth, verdient hij toch alle lof  omdat hij de eerste is geweest die ons met de mens Jezus heeft laten kennismaken.